Ons electoraal systeem heeft zo zijn gebreken en deze ter discussie stellen is niet het probleem. Iets in positieve zin veranderen blijkt heel wat moeilijker. Daar zijn ook redenen voor: in zoveel jaren van politieke praktijk is iets ontstaan wat we zelden terugvinden in het wetenschappelijke werk op dit gebied: de macht van een netwerk van politieke invloed, dat een obstakel is voor nieuwe partijen om hun eigen basis onder de bevolking te scheppen. Hetgeen de studie, waarvan een uitgebreid verslag in onze editie van 05 november jl., naar voren brengt is de realiteit van de nadelen voor een kleine partij in ons huidige kiessysteem. Hierin moet een partij minimaal één keer voldoen aan de norm van de kiesdeler, het totaal aantal stemmen gedeeld door het aantal beschikbare zetels (21). Dit creëert inderdaad de situatie waarin een partij niet dit minimum haalt maar op gegeven moment in de verdeling van de restzetels een hogere score aan stemmen haalt dan de resterende stemmen van de partijen die wel kunnen deelnemen aan de verdeling van de restzetels. Dit wordt altijd naar voren gebracht als een onrechtvaardigheid, van de zijde van de verliezers, terwijl de winnaars logischerwijze, met sarcastische ondertoon of niet, wijzen op de verkiezingsregels van ons systeem dat geërfd is van een veel groter land waar hetzelfde systeem in de praktijk een andere uitwerking heeft.
Bij het signaleren hiervan is een eerste vraag: is er een noodzaak tot aanpassing van ons systeem, zodat een groter deel van het electoraat ook daadwerkelijk vertegenwoordiging in het parlement krijgt? Het antwoord hangt af van degene aan wie de vraag is gesteld. Ja, voor degenen die de wijziging voorstaan en een meer diverse, en naar hun mening ook meer gerechtvaardigde, vertegenwoordiging in het parlement willen zien. Nee, voor diegenen die vinden dat, zoals ons huidige systeem luidt, dat men niet een te zeer gefragmenteerd parlement moet toestaan, wat effectief regeren moeilijker zou maken. Uiteindelijk blijft het een kwestie van een keuze voor het huidige, meer restrictieve systeem, of de weg openen naar een systeem dat meer opties biedt voor kleine partijen.
Bovendien is het huidige systeem van zetelverdeling niet het enige probleem waarmee kleine partijen worstelen. Hier komen we dan uit bij het andere belangrijke aspect van onze politieke realiteit, de gestructureerde macht van de grote partijen die zij in meer dan vijftig jaar hebben opgebouwd: een basis van loyaliteit en steun in alle districten, die al meer dan drie generaties overspant. De aanwezigheid gedurende zoveel jaren heeft ook gezorgd voor de financiële basis om effectief campagne te kunnen voeren, niet te vergelijken met de kleine en nieuwe partijen die hun weg nog moeten zoeken. Dit is geen uniek probleem in ons systeem; het is een levensgrote realiteit waar ook ter wereld. Bij ons is de feitelijke situatie dat geen enkel kabinet ooit is gevormd zonder de betrokkenheid van een van de twee grote partijen. Dit is niet het enige nadeel voor nieuwe partijen die altijd bij nul moeten beginnen. De sympathie voor de ideeën van de nieuwe partij zal er wel zijn maar van de andere kant krijg je dan toch weer de praktische vraag van velen van ons: wat heb je te bieden? De enige partijen die kunnen laten zien dat ze in het recente verleden een zekere capaciteit hebben om politieke en ambtelijke carrières te bieden, naast contracten voor ondernemers die kunnen bijdragen aan de verkiezingskas en andere kleinere gunsten via het ambtelijk apparaat dat zij beheersen. Men kan deze realiteit als iets verwerpelijks beschouwen of niet, dat is hier niet ter sprake. Maar het blijft aanwezig in het denken van mensen die deze ervaring hebben meegekregen, binnen de familiekring of elders, dat de nieuwe partijen maar korte tijd iets te bieden hebben maar op den duur verdwijnen, onder andere vanwege het gebrek aan middelen, menselijke en financiële, waardoor de keuze weer beperkt blijft tot de twee grote partijen… als je een van de eerder vermelde gunsten wenst.
We moeten ook het wetgevingsaspect bespreken. Het klopt dat we aan de slag zijn met een electoraal concept dat we van Nederland hebben geërfd, dat in een klein territorium als het onze anders uitwerkt, waardoor het criterium van optimale vertegenwoordiging niet bepaald een dienst wordt bewezen. Het probleem is echter: hoe dit te wijzigen, als die verandering vooral afhangt van de twee grote partijen die het meest profiteren van het systeem zoals het nu is? Geen enkele politicus van een kleine partij zal de grote partijen ervan overtuigen dat het beter is om een restzetel naar zijn partij te laten gaan, waarmee men ook een nadeel oploopt in de concurrentie met de andere grote rivaal. Er is geen genie nodig om te begrijpen dat dit niet gaat gebeuren. Wetgeving is allang niet meer afhankelijk van regels die gekopieerd zijn van het koloniale moederland, maar is nu en in de toekomst afhankelijk van de lokale politieke macht, zoals die verdeeld is.
Brengt het voorgaande ons dan tot de conclusie dat er voorlopig geen wijziging komt in ons kiessysteem? Hoogstwaarschijnlijk niet, maar ook vanwege een andere reden die men niet zomaar tegenkomt. We kunnen ons voorstellen dat in een bepaald land absoluut slecht bestuur kan leiden tot de opkomst van een andere politieke kracht die erin slaagt in invloed en volkssteun toe te groeien naar het niveau van de partijen die tot op dat moment de lakens uitdelen. Zou dat bij ons ook het geval zijn? Nee, want als autonoom gebied binnen het Koninkrijk is er een niveau van toezicht dat verantwoordelijk is voor deugdelijk bestuur, waanneer ons lokale bestuur faalt. We belanden niet zo snel in een explosieve situatie waarin de weg wordt geopend voor veranderingen van betekenis. Wat is dit dan uiteindelijk: bescherming van de burger, of ook ‘bescherming’ van de politieke partij? Dat mag eenieder voor zichzelf beslissen…
LJMADURO – 06-NOV-2026

