Het Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba heeft geoordeeld dat de overheid elektrische steps, scooters en fietsen niet zomaar van de openbare weg mag verwijderen zonder de wettelijke procedures te volgen. De uitspraak betekent voorlopig een belangrijke tegenslag voor de handhavingsactie van de regering tegen twee lokale verhuurbedrijven van elektrische voertuigen.

Volgens het vonnis heeft de Arubaanse overheid onrechtmatig gehandeld door voertuigen van Evikes Corporation VBA en Friendly Green Bike Company Aruba VBA in beslag te nemen zonder vooraf officiële schriftelijke waarschuwingen of formele bestuursbesluiten uit te vaardigen.

De zaak ontstond nadat minister van Justitie, Integratie, Energie en Openbaar Vervoer Arthur Dowers op 21 april 2026 aankondigde dat het gebruik van elektrische steps, scooters en fietsen op de openbare weg met onmiddellijke ingang verboden werd. Volgens de minister beschikten de voertuigen niet over de vereiste toelatingen en vormden zij een risico voor de verkeersveiligheid.

Op 29 april verscheen vervolgens een “laatste waarschuwing” via sociale media, waarna de autoriteiten een dag later begonnen met het verwijderen van voertuigen uit openbare ruimtes.

De rechter benadrukte echter dat de overheid, ook wanneer zij bevoegd is verkeers- en transportwetgeving te handhaven, verplicht blijft om bestaande wettelijke procedures te respecteren. Volgens het gerecht hadden de bedrijven eerst schriftelijk geïnformeerd moeten worden over de vermeende overtredingen, de wettelijke basis van de maatregelen, de vereiste correctieve stappen en een redelijke termijn om daaraan te voldoen.

De zaak draait om twee bedrijven die al jarenlang actief zijn op Aruba. Green Bike verhuurt sinds 2017 elektrische fietsen en sinds 2023 ook elektrische steps. Evikes biedt sinds 2019 elektrische steps aan. De voertuigen worden via mobiele applicaties verhuurd en worden vooral gebruikt door toeristen die zich verplaatsen tussen stranden, hotels en andere locaties in het hotelgebied.

Binnen het verhuursysteem kunnen gebruikers voertuigen ontgrendelen via een app nadat zij akkoord zijn gegaan met gebruiks- en verkeersvoorwaarden. De voertuigen kunnen vervolgens worden achtergelaten binnen een operationeel gebied dat zich ongeveer uitstrekt van Arashi Beach tot de luchthaven. Volgens de overheid leidde die flexibiliteit echter ook tot problemen omdat steps en fietsen vaak werden achtergelaten op trottoirs, groenstroken en zelfs privéterreinen van hotels.

Nadat de overheid op 30 april begon met het in beslag nemen van voertuigen, stapte Evikes onmiddellijk naar de rechter voor een spoedprocedure. Nog dezelfde dag gaf het gerecht een voorlopige beschikking waarbij de overheid werd opgedragen te stoppen met het verwijderen van de voertuigen en reeds in beslag genomen steps terug te geven. De autoriteiten voldeden aan dat bevel.

Tijdens de rechtszaak voerden beide bedrijven aan dat de overheid zonder duidelijke wettelijke basis handelde. Volgens hen bestaat er geen expliciete wet die elektrische steps, scooters of fietsen verbiedt. Daarnaast stelden zij dat de overheid hun activiteiten jarenlang had toegestaan of gedoogd voordat plotseling werd besloten deze illegaal te verklaren.

De regering verdedigde haar optreden door te stellen dat de bedrijven verschillende wetten overtreden, waaronder regels rond personenvervoer en verkeersveiligheid. Volgens de overheid beschikten de voertuigen niet over goedkeuringen, inspecties of kentekenplaten voor gebruik op de openbare weg. Ook verwees de regering naar klachten over gevaarlijk rijgedrag van gebruikers en overlast in openbare ruimtes.

Daarnaast stelde de overheid dat de bedrijven openbare grond zonder toestemming gebruikten door voertuigen en laadstations op publieke locaties te plaatsen. In een tegenvordering vroeg de regering daarom aan de rechter om de bedrijven te verplichten alle voertuigen en laadstations onmiddellijk van overheidsterrein te verwijderen.

De rechter stelde echter grotendeels de bedrijven in het gelijk wat betreft de gevolgde procedures. Het gerecht oordeelde dat publieke verklaringen via interviews, persberichten en sociale media niet kunnen worden beschouwd als juridisch geldige bestuursbesluiten volgens het Arubaanse bestuursrecht.

Ook wees de rechter erop dat de overheid geen officiële waarschuwingen, administratieve boetes of processen-verbaal had opgesteld voordat de voertuigen in beslag werden genomen. Zelfs indien de bedrijven daadwerkelijk bepaalde regels zouden overtreden, blijft de overheid volgens het vonnis verplicht om de correcte handhavingsprocedures te volgen.

De rechter verwierp bovendien het argument van de overheid dat de exploitanten moeilijk identificeerbaar zouden zijn. Volgens het gerecht waren de namen en logo’s duidelijk zichtbaar op de voertuigen.

Tegelijkertijd benadrukte het gerecht dat de uitspraak geen volledig verbod vormt op toekomstige controles of handhaving. De overheid blijft bevoegd om op te treden tegen de bedrijven, boetes op te leggen of andere sancties toe te passen, zolang dit gebeurt via juridisch correcte procedures en formele bestuursbesluiten.

Ook de tegenvordering van de overheid om alle voertuigen en laadstations onmiddellijk te verwijderen werd afgewezen. Volgens de rechter had de overheid het gebruik van openbare ruimte jarenlang gedoogd en bovendien onvoldoende gereageerd op verschillende vergunningsaanvragen van de bedrijven.

Zo stelde Green Bike dat het in 2017 en 2018 vergunningen had ontvangen voor bepaalde laadstations en later bijkomende aanvragen had ingediend waarop nooit een beslissing volgde. Evikes verklaarde tijdens de zitting eveneens dat vergunningen en nummerplaten waren aangevraagd, maar dat nooit een antwoord van de autoriteiten werd ontvangen.

De rechter concludeerde daarom dat het onwaarschijnlijk is dat een bodemprocedure uiteindelijk zou leiden tot een bevel om de bedrijven onmiddellijk van openbare terreinen te verwijderen.

Het gerecht moedigde beide partijen uiteindelijk aan om via overleg tot een minder drastische oplossing te komen dan een onmiddellijk totaalverbod op de activiteiten van de bedrijven.

In de einduitspraak werd de overheid veroordeeld tot betaling van de proceskosten van beide ondernemingen.

De uitspraak betekent een belangrijke procedurele overwinning voor de verhuurbedrijven, maar onderstreept tegelijk een breder juridisch principe: ook de overheid moet zich houden aan de regels van behoorlijk bestuur en wettelijke procedures, zelfs wanneer openbare veiligheid en verkeershandhaving in het geding zijn.